USCA post 59, april 1992
auteur: Ralph Ebner
Vertaling:A. van Herk
Overgenomen uit Rundbrief 83 van onze Duitse zustervereniging.
De papiersoorten uit de Amerikaanse Bank Notes tijd (I)
De meeste artikelen gaan in de regel over historische achtergronden, postgeschiedenis of andere essentiële zaken rond de postzegel. Persoonlijk vind ik het leuker om me bezig te houden met de zegel zelf en daartoe behoort nu eenmaal ook het papier. Natuurlijk zou ik mij kunnen beperken tot het standpunt dat de papiersoorten gecatalogiseerd zijn en dat alleen dat al genoeg is om er aandacht aan te schenken. Maar ik wil eigenlijk meer: ik wil proberen aan te tonen wanneer en waarom het verzamelen van papiersoorten zin kan hebben en waarom ik er plezier in heb. Ik zal daarbij echter ook wijzen op de grenzen die daaraan om uiteenlopende redenen zijn gesteld.
In dit artikel worden de papiersoorten behandeld die zijn gecatalogiseerd en die ik met zekerheid en onmiskenbaar kan beschrijven. Maar reeds bij dit eerste begin doen zich problemen voor met niet vermelde tussentypen en blijkbaar fantasierijke catalogiseringen en twijfelachtige beschrijvingen in praktisch alle werken en artikelen waarin dit thema is behandeld.
Papiersoorten, het verzamelen waard?
Dat postzegels worden gedrukt op papier is eigenlijk zo vanzelfsprekend dat men zich andere mogelijkheden niet eens kan voorstellen en het moet al even vanzelfsprekend voor ons zijn dat men met de zoveel eenvoudigere productiemiddelen van de vorige eeuw niet altijd hetzelfde papier kon fabriceren en al helemaal niet gedurende tientallen jaren. Nu kan men meteen aanvoeren dat toevallige verschilletjes in de samenstelling, de dikte en de structuur van het papier altijd heel moeilijk zijn vast te stellen en al helemaal niet met het blote oog of aan de bedrukte voorzijde. Dus waarom ze dan verzamelen en soms duur betalen? Over dat laatste aspect kan men van mening verschillen, maar alleen de juiste kennis en beschrijving van een zegel kunnen bescherming bieden tegen vervalsingen en "verbeteringen". Zo zijn bijvoorbeeld valse grills van de National Bank Note oplagen voor het overgrote deel aangebracht in zegels van de American Bank Note Company, omdat de vervalsers die gemakkelijker en goedkoper in handen konden krijgen. Als men de kenmerken van de grills niet kent zijn zulke vervalsingen alleen zonder veel moeite te herkennen aan de hand van de papiersoort.
Veel essentiëler en interessanter is het evenwel om de posthistorisch belangrijke veranderingen in de papiersoort en de plannen daarvoor eens nader te bezien. Die zijn er inderdaad: juist uit de tijd van de Continental Bank Note Company bestaan er heel wat experimentele soorten papier. Ik noem hier enkel de chemisch geprepareerde soorten, die weliswaar nooit verder zijn gekomen dan het proefstadium, en de double papers die uit twee lagen bestonden.
De hele ontwikkelingsgeschiedenis van de postzegel is doortrokken van het streven naar een zo hoogwaardig mogelijke, niet te vervalsen postzegel, die ook nog bestand moest zijn tegen verwijdering van het stempel. Behalve de drukinkt speelt het papier daarbij een grote rol.
Misschien is het ook gewoon interessant om na te gaan tot welke oplage zegels, die vele jaren lang met hetzelfde zegelbeeld in omloop waren, behoren, temeer omdat daarbij niet minder dan drie drukkerijen betrokken zijn geweest. Hier vullen de papiersoorten de mogelijkheden aan die door de secret marks, de geheime tekens, al waren gegeven.
Voor ik nu begin aan de beschrijving van de verschillende drukkerijen en vervolgens de papiersoorten, wil ik trachten te schilderen welke hulpmiddelen ik gebruik om papiersoorten van elkaar te onderscheiden.
Doorlichten
Het belangrijkste, snelste en praktisch altijd bruikbare hulpmiddel is ongetwijfeld doorlichten. Net als voor het bepalen van de kleur is een heldere hemel verreweg de beste achtergrond, maar met elke soort melkglas voor kunstlicht lukt het ook, als de mattering maar homogeen, dus zonder structuur is.
De dikte van een papiersoort kan men natuurlijk als echte papiersterkte in fracties van millimeters weergeven. Maar de benaming optische dikte bevalt mij ook best.
Papiersoorten die meetbaar even dik zijn, kunnen bij doorlichting volkomen verschillende effecten opleveren. Terwijl de ene heel licht en bijna doorschijnend blijft, wordt de andere donker en troebel. Menige soort vertoont een duidelijk lijnenpatroon, andere een vaag en weer andere in het geheel geen.
Hier zijn gemakkelijke criteria te vinden die ook op ruildagen controleerbaar zijn, Vooral oefening is daarbij van belang en de lichtbron mag niet te sterk zijn, want dan gaan de effecten verloren.
Probeert u, als u met een melkglasplaat werkt, die onder verschillende hoeken onder het licht te houden. Het zal u verbazen hoe papierstructuren dan herkenbaar worden.
UV-Licht
Niet alleen voor het tijdperk van de optische witmakers kan een UV-lamp nuttige toetsingsnormen opleveren. Naar het schijnt, vertoont de lijm in oude papiersoorten de neiging tot uiteenlopende reacties. Blijft de ene soort nog betrekkelijk wit en helder, de andere wordt diepviolet, bijna helemaal donker. Let u erop dat een zwarte achtergrond absoluut noodzakelijk is. Ligt er papier met witmakers erin in de buurt, dan doet de straling daarvan alle effecten te niet. Deze methode is bijna ideaal voor ongebruikte zegels en voor zegels op brief die niet kunnen worden doorgelicht. Bij gestempelde, afgeweekte zegels moet men echter bedacht zijn op de mogelijkheid dat er veranderingen zijn opgetreden door lichtstoffen uit b.v. modernere zegels die deze stoffen bevatten. Zoals bekend, kan men met natgemaakte fosforescerende en luminescerende zegels bijna afdrukken maken.
Maar ook de gom uit de periode van de Bank Notes is een storende factor, want die licht duidelijk geel op. Als er gomresten op de achterzijde zijn achtergebleven of als er resten op de beeldzijde terechtgekomen zijn, doen zich avontuurlijke effecten voor die een sortering nagenoeg onmogelijk maken.
Het oppervlak onder de microscoop
Zoals bekend, bestaat papier uit vezels. Hoe die samenhangen is onder andere zichtbaar aan het oppervla, bij een echt sterke vergroting (ik werk het liefst met Stereoscoop en 20- tot 32.voudige vergroting) kan men onder het juiste strijklicht de uiteinden van de papiervezels zien. Soms zijn ze samen gekleefd en praktisch niet te onderscheiden, soms ook staan ze allemaal als losse eindjes in de ruimte.
Ook hier komen naast duidelijke gevallen natuurlijk ook weer zegels voor met weinig losse eindjes waar niets uit op te maken valt. Het is ook van belang erop te wijzen dat te lang en vooral te warm wassen het oppervlak verandert. Dus niet in een te heet bad, want dan gaat uw sortering ten onder.
Papierdiktemeters
Het meest beschreven hulpmiddel, de papierdiktemeter, is er naar mijn mening niet eens een. Het is mij, althans bij Amerikaanse zegels, tenminste nog nooit gelukt de papiersterkte goed te meten. Afgezien van de moeilijkheden met onregelmatige gomdikte en vuiltjes in het papier zijn de zachte papiersoorten zo zacht dat ze bij het meten heel gemakkelijk kunnen worden samengedrukt tot de dikte van de harde papiersoorten. Ik denk dat de foutenspeling haast groter is dan de afstand tussen de gemiddelde papierdikten voor de afzonderlijke papiersoorten, vooral omdat er altijd extra dikke of extreem dunne exemplaren voorkomen bij elke soort.
Maar nu naar de details. Voor een beschrijving geef ik eerst een indeling naar de afzonderlijke drukkerijen.
Papiersoorten van de National Bank Note Co
Tot dusver heb ik alleen heel vage pogingen gevonden om het papier van de NBNC te beschrijven. Steevast wordt het in één pot gegooid met het "harde" papier van de Continental Bank Note Company en daarvan niet onderscheiden. Wel tekent men erbij aan dat er misschien verschil zit in de papierstructuur. Ik ben inderdaad van mening dat er typische National en typische Continental papiersoorten bestaan, die echter lang niet altijd uit elkaar te houden zijn. Dat is als regel ook niet nodig, omdat die twee drukkerijen op een paar uitzinderingen na uit elkaar gehouden kunnen worden aan de hand van de geheime tekens. Alleen bij de waarden 24¢ 30¢ en 90¢ kan, naast de kleur van de drukinkt, het papier doorslaggevend zijn.
Veel belangrijker is, dat men aan de serie van 1869 veilig en betrouwbaar de eigenschappen van de zogenaamde harde papiersoorten kan bestuderen.
Daarnaast wordt een enkele keer, bijvoorbeeld bij de 7¢, al "zacht" papier genoemd. Maar dit kan geen gelijkenis vertonen met het later aldus genoemde papier. Ik beschik zelf niet over een duidelijk exemplaar hiervan, maar ik houd het op onregelmatigheden in dikte, ontstaan tijdens de productie.
Soorten van de Continental Bank Note Co
Hier begint het interessant te worden, maar hier ontstaan ook alle problemen. In tegenstelling tot wat algemeen wordt aangenomen heeft namelijk niet de American BNC een nieuwe, voor haar typische, papiersoort ingevoerd. Het staat absoluut vast dat dit al in 1878 gebeurde door de Continental BNC, zoals Kapitein Combs reeds in 1964 bewees aan de hand van een aantal dienstzegels. De waarden 3¢, 6¢, 30¢ en 90¢ van het Treasury Department komen, net als de 6¢ van het Department of Justice, aantoonbaar voor op het papier (dat later nog beschreven word), doch ze zijn nooit gedrukt bij de American BNC. Deze verkeerde, versimpelde voorstelling van zaken heeft zich echter tot op de dag van vandaag gehandhaafd in de catalogi en inderdaad is het, behalve bij bovengenoemde uitzonderingen, in feite onmogelijk de drukken van de CBNC te onderscheiden van de ABNC, die beide op hetzelfde papier werden gedrukt. Maar dat mag ons hier voorlopig verder niet storen. Van veel groter belang is het feit dat de overschakeling door de CBNC niet in één keer plaats had: tenslotte nam ze de opdracht voor het drukken reeds in 1873 over van de NBNC.
In die vijf jaar hadden verscheidene proefnemingen plaats, enerzijds om de drukkwaliteit te verbeteren, anderzijds om het ruwe papier blijkbaar goedkoper te maken.
Daaruit kwam het ribbed paper, papier met ribbeltjes, en het straw paper, papier met strovezels, voort die wij later nog zullen bespreken.
Historisch van meer belang zijn echter de patenten die op papiersoorten werden verleend die een onzichtbare verwijdering van afstempelingen onmogelijk moesten maken.
Die zegels krijgt weliswaar bijna niemand ooit te zien, maar posthistorisch zijn ze zo interessant dat ik er nog eens een apart artikel aan hoop te wijden. In ons bestek blijven ze echter buiten beschouwing, evenals de hoogwaardiger papiersoorten die voor bijzondere drukken zijn gebruikt.
Het beslissende moment bij de verandering van papiersoort in deze periode is het opduiken van een zogenaamd intermediate paper dat, zoals de naam al zegt, er precies tussenin ligt en daardoor iedere verzamelaar tot wanhoop brengt wanneer hij aan het sorteren gaat zonder dit fenomeen te kennen. Merkwaardigerwijs wordt het bijna nergens vermeld. Ikzelf heb lange tijd beweerd dat er zo'n tussentrap bestond, tot ik er voor het eerst over las. Juist hierin ligt wellicht ook de ernstigste fout in de overigens voortreffelijke werken van Brookman, die aan de ene kant zegt dat het om een ABNC papier gaat en aan de andere kant dat het betrekkelijk zeldzaam is en het catalogiseren niet waard. Een catalogisering leidt maar tot verwarring, zo meent hij. Ik moet hem op alle drie punten krachtig tegenspreken.
Enerzijds bestaan er alleen door de CBNC gedrukte official stamps die op dit papier voorkomen, anderzijds komen sommige waarden zo overvloedig voor dat ik bijvoorbeeld van de 6¢ tot nu toe alleen CBNC drukken heb gevonden op dit papier, terwijl het gewone harde papier wel degelijk bestaat. Wat het thema verwarring aangaat wil ik aan de reeds gemaakte opmerkingen nog toevoegen dat de redactie van de Michel catalogus op een gegeven moment besloten heeft bij twee waarden (6¢ en 15¢) de papiersoort u in te voeren. Daarbij gaat het vermoedelijk om intermediate papier, maar dat ben ik bij praktisch alle waarden tegen gekomen. Dat er geen prijzen bij zijn vermeld, bewijst dat basisgegevens in Amerikaanse catalogi ontbreken.
Papiersoorten van de American Bank Note Co
Hierover hoef ik eigenlijk niets meer te zeggen. Het papier dat hiervoor bijna zonder uitzondering is gebruikt, is al bij de CBNC beschreven. Toen de ABNC in februari 1879 de complete CBNC overnam, heeft zij niet alleen het hele machinepark, de drukplaten enzovoorts overgenomen, maar ook de papierleverancier. En dat is praktisch zo gebleven tot de overname door het Bureau of Engraving and Printing in 1894.
Uiteraard bestaan er weer de gebruikelijke uitzonderingen en test papiersoorten, onder andere met watermerken. Deze zijn echter uitvoerig beschreven in The two cent redbrown, Deel I van Willard.
Nu hebben wij echter aldoor gesproken over iets zonder daarvan een beschrijving te geven. Dat doen we de volgende keer. Wordt vervolgd.